Brakel

Herzele

Zottegem


   
 

Toespraak vicaris - E.H. Van Der Kelen

Goede vrienden

Terecht wees de voorzitter, zuster Beatrijs, op de ‘verbondenheid’ als gouden draad doorheen de katholieke scholen van de ruime regio Zottegem. Proficiat voor de weg die jullie allen de laatste tien jaren hebben afgelegd: in respect voor de eigenheid van elke school, zich solidair verbonden weten met elkaar! Coördinerend directeur, Chris Vanderstraeten, belichtte dat zoëven nog heel concreet. Dat alles mag gevierd worden.

Maar er is meer, want het is vandaag niet enkel een verjaardag vieren, het is tevens het aannemen van een nieuwe naam… niet zo vanzelfsprekend! Om twee redenen.
Allereerst omdat een mens normalerwijze slechts een keer in zijn leven een naam ontvangt; voor u als scholengemeenschap nu tien jaar geleden… Maar soms gebeurt het wel dat een mens een andere naam ontvangt; bij uitzonderlijke gebeurtenissen, zoals bij een intrede in een klooster… De persoon blijft wel dezelfde, maar zijn of haar nieuwe naam duidt dan op een nieuwe roeping, een nieuwe zending en verrijkt hierdoor de oorspronkelijke identiteit. Ik hoop dat deze avond voor u allen dan ook zo’n uitzonderlijke gebeurtenis is die de identiteit van de scholengemeenschap verrijkt. Daarom misschien ook goed dat de nieuwe naamgeving hier in een kerkruimte plaatsvindt.

En zo kom ik tot de tweede reden waarom de nieuwe naamgeving niet vanzelfsprekend is, en ik bedoel: de keuze van de naam.
Emmaüs…, wie zegt dat nog wat? Googlelend kom je niet echt veel verder… al maakt het je misschien toch duidelijk dat je op een christelijk spoor zit…: een christelijk zorgcentrum met zetel in Mechelen, een katholieke school van de Broeders van Liefde in Aalter…
Nee, ‘Emmaüs’ kiezen als nieuwe naam is niet zo vanzelfsprekend als je vandaag onmiddellijk wilt worden verstaan. Je moet al wat inspanning doen om te vernemen dat dit de naam is van een dorpje, vermeld in het Lucasevangelie, in dat magistrale verhaal dat de evangelist op het einde vertelt. Jezus is dood en begraven; zijn verhaal lijkt ten einde, zijn ‘Blijde boodschap’ in rook opgegaan… illusie, wensdroom! Een massa mensen hadden er nochtans in geloofd: dat het waar zou worden van dat ‘Rijk Gods’, dat het waar zou worden dat elkeen een plaats zou hebben; geen verschoppelingen meer, geen uitgetelden, geen gemarginaliseerden. Met Jezus zou het eindelijk gebeuren; ja, met Jezus zag je het gebeuren: de droom van generaties! ‘Vrede en gerechtigheid’ werd het genoemd, ‘Jeruzalem’ als de hemel op aarde, waar Gods Rijk gestalte kreeg! Jeruzalem, als symbool van Gods droom, werd de plaats van diepe ontgoocheling, waar de mensgeworden hoop werd gedood…
De incarnatie van een generatielange joodse verwachting: kruis erover, gedaan!

Lucas doet ons in de huid kruipen van twee teleurgestelde volgelingen van Jezus… Die twee uit Emmaüs, zij waren er zo gelukkig geweest, in Jeruzalem,. “Zij wisten  zich er bemind en ze beminden er. Jezus was in hun leven gekomen, zomaar een mens, maar voor hen was hij een godsgeschenk. Ze gingen anders naar zichzelf kijken en naar elkaar en naar de wereld, en boven die wereld zagen zij de hemel open. En dat is nu allemaal voorbij. Jeruzalem heeft zijn grote profeet gedood en al hun hoop is met hem begraven.”
Ze keren Jeruzalem - de stad waarnaar generaties lang zich hadden gekeerd, de stad waarnaar elkeen in zijn leven naar hunkerde, waarnaar ook Jezus op zijn levensweg zich had gericht – die stad (als metafoor voor het ‘Rijk Gods’) keren zij de rug toe en gaan de andere kant uit, Emmaüs, terug naar ’t gewone leven, weg van idealen!

We waren zelf nog jong; t’ concilie nog maar pas verleden.
We droomden van Gaudium et spes, over de kerk in de wereld van deze tijd, van Lumen gentium, over Christus als het licht voor de volkeren.
We droomden van geëngageerd geloof, van een sociaal bewogen kerk, van openheid en verdraagzaamheid… We ontdekten opnieuw ‘blijde’ boodschap en kerk als nieuw begin, Gods Geest als levende kracht. Jeruzalem niet louter als ‘hemelse’ stad, maar als ideaal voor hier en nu voor het volk van God. Rome – de ‘heilige stad’ als ‘het nieuwe Jeruzalem’ – was een bruisende stad van evangelische inspiratie voor de wereld van morgen!
En dan… die na-conciliaire ontgoocheling, versnippering, verwarring…

Ben ook ik - en zo velen van mijn generatie – dan, zoals die eerste Jezus-volgelingen, die andere weg gegaan, de weg naar Emmaüs? De weg naar het gewone, het doodgewone leven? ‘Secularisatie’, noemden we dit. Jeruzalem de rug toegekeerd, ontgoocheld doen wat elkeen doet. ‘Katholiek’ kwam te staan voor ‘kwaliteit’, niet langer voor ‘inspiratie’. Heilige namen verdwenen, ook in scholen. We spraken de taal van de wereld… Nog tien jaar geleden schuilden we samen onder de geseculariseerde naam, ‘regio Zottegem’, neutraal, in niets verwijzend naar identiteit; geografische omschrijving is minder bedrijgend!
Ik volg opnieuw de twee op weg naar Emmaüs… Ze waren in gesprek en hadden het over de gebeurtenissen van de laatste dagen… Terwijl ze zo met elkaar bezig waren, kwam er iemand aan, Jezus zelf, en liep met hen mee. Maar ze herkenden Hem niet.
“Zo gaan mensen ook vandaag met elkaar op weg. Niets bijzonders, niets speciaals.
Doodgewone mensen, alledaagse gebeurtenissen: lief en leed, geluk en ongeluk, angst en twijfel... Doodgewone mensen die klagen en hopen, die elkaar vertellen wat hen bezig houdt. Die ervaringen delen en ter sprake brengen, en ze laten bezinken tot ze helder worden op de bodem van de herinnering.
Mensen die intreden in elkaars verhaal, worden samenhorig. Ze dragen elkaar op de weg van mens naar medemens, van vreemd naar vriend. Verbondenheid wordt kracht die niet te breken is. Zo gaan mensen ook vandaag de weg van het leven.

Hij heeft niets gezegd. Alleen geluisterd, urenlang tot hun verhaal ten einde was.
Alles mochten ze aan Hem kwijt: hun opgekropte verdriet, de flarden van de ontgoocheling, van gevoelens en ervaringen en van gekwetst vertrouwen.
Hun ontreddering was te groot, waardoor ze Jezus niet herkenden. Ze hadden wel een aanvoelen dat ze aan ‘die vreemdeling’ hun leven mochten vertellen. Hij heeft geluisterd naar hun verhaal... zo luistert Hij naar elk verhaal, van u en mij.”

Maar ongemerkt worden de rollen omgekeerd. De niet herkende Jezus “heeft de leiding van het gesprek overgenomen en geeft de ontgoochelde reizigers antwoord door voor hen de Schrift te ontsluiten. Ze horen hem vertellen over wat er vroeger allemaal gebeurd is in de lange geloofsgeschiedenis van mensen en volken. Het verhaal van mensen die in een hopeloze toestand verkeerden. Het verhaal van God die bevrijdend optrad door Mozes en die het volk bemoedigend en vermanend toesprak door de profeten. Hij vertelt hun hoe het onmogelijke kan gebeuren. Een slavenvolk wordt bevrijd. Een woestijn gaat bloeien. Ballingen vinden toch weer de weg terug naar hun vrije stad. Zelfs wie sterft kan door de dood heenkomen. De geschiedenis van vroeger als een uitdaging voor vandaag en morgen: door te luisteren naar de geloofservaringen van vroegere generaties kun je je eigen leven en belevenissen van daaruit doorlichten. Zo ga je de wereld en de mensen, de schepping en de geschiedenis, je eigen levensverhaal en levenssituatie anders bekijken.

Maar de onbekende tochtgenoot vertelt hen ook over wat er aangaande Jezus is voorzegd in de Schriften: dat hij geen triomferende koning zal zijn, maar een lijdende dienstknecht. En dat hij niet dood is, maar een nieuw leven is begonnen.

Gefascineerd luisteren de twee mannen naar hem. Die vreemdeling werpt een totaal nieuw licht op de zaak. Zij gaan inzien dat de weg van het kruis en het lijden wegen van heil kunnen zijn. Dat er geen duisternis zo diep is, of de Verrezene neemt ons uiteindelijk mee in zijn licht. Dat geen lijden zo groot is, of Hij is onze genezing. Geen verdriet zo zwaar, of Hij kan onze troost zijn. En geen dood zo vernietigend of Hij kan ons leven zijn. Vanuit een nieuw verstaan van de oude verhalen uit de Bijbel, wordt in het gesprek met de vreemdeling onderweg heel hun idee over de Messias bijgesteld.

En dan… ze naderen het dorp waarheen ze op weg waren. Jezus deed alsof hij verder wilde reizen. Maar ze drongen er sterk bij hem op aan om dat niet te doen en zeiden: ‘Blijf bij ons, want het is bijna avond en de dag loopt ten einde.’ Hij ging mee het dorp in en bleef bij hen…

Prachtig hoe Jezus die twee in hun eigen waarde, in hun eigen vrijheid laat (Hij deed alsof hij verder wilde reizen). Het initiatief is nu aan hen…
Hij gaat op hun uitnodiging in, gaat binnen en blijft bij hen… en dan: wat brood, wat woorden, een simpel gebaar. ‘Hij nam het brood, sprak het zegengebed uit, brak het en gaf het hun.’ Herkenbaarder kan het niet. Ogen gaan open en harten gaan open. Zij leren zien met gelovige ogen. Ze ontdekken de ware persoon die achter deze vreemde reiziger steekt. ‘Maar hij werd onttrokken aan hun blik’. Daarop zeiden de twee tegen elkaar: ‘Brandde ons hart niet toen hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ontsloot?’... Ze stonden op en gingen meteen terug naar Jeruzalem.
Op het moment van herkenning ontglipt hij hen. Hij wordt niet hun bezit. Zij krijgen geen macht over hem. Wat blijft is: de zekerheid dat hij op de lange weg van hun leven en van het geloof bij hen zal zijn.” “Jezus hoeft niet langer bij hen te zijn, hij is in hen. Zij hebben zijn woorden ingedronken, zijn brood tot zich genomen, hij is een deel van henzelf geworden.”

 

Met dit verhaal “heeft Lucas waarschijnlijk een geloofontwikkeling van jaren uitgebeeld. Want het heeft wel even geduurd voordat de discipelen, na Jezus’ kruisiging, zicht kregen op de betekenis van zijn leven en dood. Maar toen zij op iedere eerste dag van de week het brood met elkander deelden en de Schriften opnieuw gingen lezen, de verhalen van Mozes en de profeten die de woorden en werken van de man van Nazareth in het licht plaatsten…, toen was het alsof Jezus zelf in hun midden was teruggekeerd. Het verhaal van de Emmaüsgangers is een verbeelding van Lucas’ geloofservaring dat Jezus zich na zijn dood als de Levende heeft laten kennen, als een ware profeet die, machtig in woord en werk, zijn blinde leerlingen het gezicht teruggaf.

 

Voor ons, medewerkers van de scholengemeenschap (personeelsleden, directies en leden van de inrichtende machten), voor ons is het verhaal van de Emmaüsgangers de verbeelding van onze dagdagelijkse inspanningen met jongeren: de weg gaan naar Jeruzalem, via de omweg van Emmaüs… In opvoeding is trouwens de efficiëntste weg zelden de rechte weg als ‘kortste afstand tussen twee punten’, maar wel de kronkelweg, de omweg om, als tochtgenoot van de jongere, geduldig, in respect voor het eigen ritme, hen te helpen groeien. ‘Emmaüs’ verwijst ons dus voortaan naar die gemeenschappelijke heilsweg, ter inspiratie van de eigen particuliere opvoedingsprojecten.
Maar misschien verwijst ‘Emmaüs’ voortaan ook naar ons eigen individuele levensweg.

Goede vrienden, proficiat dus dat u die nieuwe naam hebt aanvaard; proficiat dat u een naam hebt gekozen die verwijst naar uw gezamenlijke inspiratie, een naam die verwijst naar ‘een vreemde man’ die zich steeds weer in ons gesprek wil mengen, niet opdringerig, maar dienstbaar, niet met intellectuele kennis, maar met wijsheid, niet als een god, maar als die onbekende… Hij luistert mee, intens en uiterst zorgzaam, en mengt zich uiteindelijk ook in het gesprek dat wij elk jaar weer opnieuw met leerlingen beginnen terwijl wij hen begeleiden op hun weg naar Emmaüs, de weg die hen leidt naar de wereld en de maatschappij van morgen, de wereld van efficiëntie en zakelijkheid, de wereld van competenties en talenten, van objectiviteit en professionaliteit – hopende dat ook zij ooit, vanuit de ervaring in Emmaüs, ‘de weg naar Jeruzalem’ mogen gaan, bouwend aan de wereld van broederlijkheid en solidariteit, de wereld van deemoed en barmhartigheid, van vergeving en mededogen.
Die vreemde man, die Geest van God, spreekt in ons mee. En dit onhoorbaar gesprek zuivert onze intenties, bemoedigt onze trouwe engagementen en maakt ons vertrouwd met de weg van God.
Misschien komen ook wij dan tot bidden: “Heer, blijf bij ons, want het is bijna avond”…en dan kan Hij zich aan ons openbaren… zoals Felix Timmermans het zo complexloos formuleert:

‘Heer blijf bij ons, de zon gaat onder.’
Wij boden dan het avondbrood
de vreemde man, die langs de baan
met ons was meegegaan.
En wijl Hij, ’t zegenend, de ogen sloot,
gebeurde het: zijn aangezicht
verklaarde in een hemels licht,
waarin Hij plotseling verdween…
Dit was het wonder.
Wij stonden weer alleen,
doch vouwden blij onz’ handen.
Het was alsof Hij door ons heen verdween
en ’t licht in ons is blijven branden.
Blijf zo in ons, o Heer, de zon gaat onder!”

 

svdk


Nico ter Linden, Het verhaal gaat… 6: De verhalen van Lucas en Johannes. Uitgeverij Balans 2003, p. 87.

Maurits Gilissen, De Emmaüsgangers: Lucas 24, 13-35. In: Mensen onderweg, april 2009, nr. 3.

Nico ter Linden, o.c., p. 90.

Ibid.


Alle rechten voorbehouden | SG Emmaüs KSO Brakel – Herzele – Zottegem © 2009 | Webmaster